Learn Dutch Sentences And Vocabulary

There is no secret. If you want to speak Dutch fluently, you need to know many words. We believe that you will remember Dutch words much better if they are in sentences. You will find Dutch sentences with their pronunciation, vocabulary and some grammar here below.

Sentences And Vocabulary

 1 
is het ver       
  is it far
  . het is   it is
      het   it   ( subject or direct object )
      zijn   be
  . ver   far

 2 
ik vind het moeilijk om te verstaan       
  I have trouble understanding
  . ik vind   I find
      ik   I
      vinden   find   ( expressing an opinion, personal view )
  . het   it   ( subject or direct object )
  . moeilijk   difficult
  . om ... te   in order to
  . verstaan   understand

 3 
wat is er aan de hand        
  what's happening
  . wat   what   ( in direct questions )
  . er is   there is
      zijn   be
  . aan   at   ( to )
  . de   the
  . hand   hand

 4 
kunt u het opschrijven        
  could you write it down
  . u kunt   you can   ( polite form )
      u   you   ( polite form )
      kunnen   can   ( be able to )
  . het   it   ( direct object )
  . opschrijven  

 5 
hoe noem je dit        
  what is it called
  . hoe   how
  . noem je   do you call   ( name or describe as )
      noemen   call   ( name or describe )
      je   you   ( as subject - familiar use )
  . dit   this

 6 
hoe schrijf je dat        
  how do you spell it
  . hoe   how
  . je schrijft   you   ( as subject - familiar use )   write
  . dat   that

 7 
kunt u iets langzamer spreken        
  could you speak more slowly
  . u kunt   you can   ( polite form )
      u   you   ( polite form )
      kunnen   can   ( be able to )
  . iets   a bit   ( a little )
  . langzamer   more slowly
      langzaam   slow
  . spreken   speak

 8 
kunt u dat herhalen        
  can you repeat that, please
  . u kunt   you can   ( polite form )
      u   you   ( polite form )
      kunnen   can   ( be able to )
  . dat   that
  . herhalen   repeat

 9 
gaat u zitten alstublieft        
  please sit down
  . gaat u   go   ( imperative - you polite form )
      gaan   go
      u   you   ( polite form )
  . zitten   sit   ( be seated )
  . alstublieft   please   ( polite form )

 10 
een ogenblik alstublieft        
  one moment, please
  . een   a, an
  . ogenblik   moment
  . alstublieft   please   ( polite form )

 11 
het spijt me        
  I'm sorry
  . het   it   ( subject or direct object )
  . spijten   cause regrets
  . me   me   ( to me )

 12 
goed, en met jou        
  fine, and you
  . goed   well   ( satisfactorily, successfully )
  . en   and
  . met   with
  . jou   you   ( familiar use, sg, stressed )

 13 
hallo, hoe gaat het met je        
  hi, how are you doing
  . hallo   hi   ( hello )
  . hoe   how
  . het gaat   [ it goes ]   ( = "you are" - health )
      het   it   ( subject or direct object )
      gaan   go
  . met   with
  . je   you   ( familiar use, sg, unstressed )

 14 
heel goed, dank u wel, en met u        
  very well, thank you, and you
  . heel   very
  . goed   well   ( satisfactorily, successfully )
  . dank u   thank you   ( polite form )
      danken   thank
      u   you   ( polite form )
  . wel   well
  . en   and
  . met   with
  . u   you   ( polite form )

 15 
hoe gaat het met u        
  how are you
  . hoe   how
  . het gaat   [ it goes ]   ( = "you are" - health )
      het   it   ( subject or direct object )
      gaan   go
  . met   with
  . u   you   ( polite form )

 16 
wat is dat        
  what's that
  . dat is   that is
      dat   that
      zijn   be
  . wat   what   ( in direct questions )

 17 
hoeveel kost het        
  how much is it
  . hoeveel   how much
  . het kost   it costs
      het   it   ( subject or direct object )
      kosten   cost

 18 
ik heb het niet begrepen        
  I didn't understand
  . ik heb begrepen   I have understood
      ik   I
      begrijpen   understand
  . het   it   ( subject or direct object )
  . niet   not   ( don't, doesn't, didn't )

 19 
ik begrijp er helemaal niets van        
  I don't understand a word
  . ik begrijp   I understand
      ik   I
      begrijpen   understand
  . er ... van   of that
  . helemaal niets   nothing at all
      helemaal   completely   ( entirely )
      niets   nothing

 20 
ik begrijp het een beetje        
  I understand a little
  . ik begrijp   I understand
      ik   I
      begrijpen   understand
  . het   it   ( direct object )
  . een beetje   a little

 21 
ik vind dat je het heel goed spreekt        
  I think you manage very well
  . ik vind   I find
      ik   I
      vinden   find   ( expressing an opinion, personal view )
  . dat   that
  . je spreekt   you speak   ( familiar use )
      je   you   ( as subject - familiar use )
      spreken   speak
  . het   it   ( direct object )
  . heel   very
  . goed   well   ( satisfactorily, successfully )

 22 
iedereen praat zo snel        
  everyone speaks so quickly
  . iedereen praat   everyone speaks
      iedereen   everyone
      praten   speak   ( talk )
  . zo   so   ( to such an extent )
  . snel   quickly

 23 
ik vind het moeilijk        
  I find it difficult
  . ik vind   I find
      ik   I
      vinden   find   ( expressing an opinion, personal view )
  . het   it   ( subject or direct object )
  . moeilijk   difficult

 24 
sommige klanken zijn moeilijk uit te spreken        
  there are some sounds which are difficult to pronounce
  . sommige klanken zijn   some sounds are
      sommige   some   ( a number of, + plural )
      klank   sound   ( noise )
      zijn   be
  . moeilijk   difficult
  . uit te spreken   to pronounce
      uitspreken   pronounce
      te   to   ( + verbe )

 25 
ik weet bijna niks        
  I know hardly anything at all
  . ik weet   I know
      ik   I
      weten   know   ( fact, information )
  . bijna   almost   ( nearly )
  . niks   nothing

Grammar

[ 1 ]  zijn   be
. present : ik ben, hij is, we zijn
. past : ik was, we waren
. perfect : ik ben geweest

[ 2 ]  vinden   find
. present : ik vind, u vindt, we vinden
. past : ik vond, we vonden
. perfect : ik heb gevonden

[ 3 ]  zijn   be
. present : ik ben, hij is, we zijn
. past : ik was, we waren
. perfect : ik ben geweest

[ 4 ]  kunnen   can
. present : ik kan, u kunt, we kunnen
. past : ik kon, we konden
. perfect : -

[ 5 ]  noemen   call
. present : ik noem, u noemt, we noemen
. past : ik noemde, we noemden
. perfect : ik heb genoemd

[ 7 ]  kunnen   can
. present : ik kan, u kunt, we kunnen
. past : ik kon, we konden
. perfect : -

[ 8 ]  kunnen   can
. present : ik kan, u kunt, we kunnen
. past : ik kon, we konden
. perfect : -

[ 9 ]  gaan   go
. present : ik ga, hij gaat, we gaan
. past : ik ging, we gingen
. perfect : ik ben gegaan

[ 13 ]  gaan   go
. present : ik ga, hij gaat, we gaan
. past : ik ging, we gingen
. perfect : ik ben gegaan

[ 14 ]  danken   thank
. present : ik dank, hij dankt, we danken
. past : ik dankte, we dankten
. perfect : ik heb gedankt

[ 15 ]  gaan   go
. present : ik ga, hij gaat, we gaan
. past : ik ging, we gingen
. perfect : ik ben gegaan

[ 16 ]  zijn   be
. present : ik ben, hij is, we zijn
. past : ik was, we waren
. perfect : ik ben geweest

[ 17 ]  kosten   cost
. present : het kost
. past : het kostte
. perfect : het heeft gekost

[ 18 ]  begrijpen   understand
. present : ik begrijp, u begrijpt, we begrijpen
. past : ik begreep, we begrepen
. perfect : ik heb begrepen

[ 19 ]  begrijpen   understand
. present : ik begrijp, u begrijpt, we begrijpen
. past : ik begreep, we begrepen
. perfect : ik heb begrepen

[ 20 ]  begrijpen   understand
. present : ik begrijp, u begrijpt, we begrijpen
. past : ik begreep, we begrepen
. perfect : ik heb begrepen

[ 21 ]  vinden   find
. present : ik vind, u vindt, we vinden
. past : ik vond, we vonden
. perfect : ik heb gevonden

[ 21 ]  spreken   speak
. present : ik spreek, u spreekt, we spreken
. past : ik sprak, we spraken
. perfect : ik heb gesproken

[ 22 ]  praten   speak
. present : ik praat, u praat, we praten
. past : ik praatte, we praatten
. perfect : ik heb gepraat

[ 23 ]  vinden   find
. present : ik vind, u vindt, we vinden
. past : ik vond, we vonden
. perfect : ik heb gevonden

[ 24 ]  zijn   be
. present : ik ben, hij is, we zijn
. past : ik was, we waren
. perfect : ik ben geweest

[ 24 ]  uitspreken   pronounce
. present : ik spreek uit, u spreekt uit, we spreken uit
. past : ik sprak uit, we spraken uit
. perfect : ik heb uitgesproken

[ 25 ]  weten   know
. present : ik weet, we weten
. past : ik wist, we wisten
. perfect : ik heb geweten

Linguistmail.com | More Languages | Privacy Policy