Learn Dutch Sentences And Vocabulary

There is no secret. If you want to speak Dutch fluently, you need to know many words. We believe that you will remember Dutch words much better if they are in sentences. You will find Dutch sentences with their pronunciation, vocabulary and some grammar here below.

Sentences And Vocabulary

 1 
is het ver       
  is it far
  . het is   it is
      het   it   ( subject or direct object )
      zijn   be
  . ver   far

 2 
ik vind het moeilijk om te verstaan       
  I have trouble understanding
  . ik vind   I find
      ik   I
      vinden   find   ( expressing an opinion, personal view )
  . het   it   ( subject or direct object )
  . moeilijk   difficult
  . om ... te   in order to
  . verstaan   understand

 3 
wat is er aan de hand        
  what's happening
  . wat   what   ( in direct questions )
  . er is   there is
      zijn   be
  . aan   at   ( to )
  . de   the
  . hand   hand

 4 
kunt u het opschrijven        
  could you write it down
  . u kunt   you can   ( polite form )
      u   you   ( polite form )
      kunnen   can   ( be able to )
  . het   it   ( direct object )
  . opschrijven  

 5 
hoe noem je dit        
  what is it called
  . hoe   how
  . noem je   do you call   ( name or describe as )
      noemen   call   ( name or describe )
      je   you   ( as subject - familiar use )
  . dit   this

Grammar

[ 1 ]  zijn   be
. present : ik ben, hij is, we zijn
. past : ik was, we waren
. perfect : ik ben geweest

[ 2 ]  vinden   find
. present : ik vind, u vindt, we vinden
. past : ik vond, we vonden
. perfect : ik heb gevonden

[ 3 ]  zijn   be
. present : ik ben, hij is, we zijn
. past : ik was, we waren
. perfect : ik ben geweest

[ 4 ]  kunnen   can
. present : ik kan, u kunt, we kunnen
. past : ik kon, we konden
. perfect : -

[ 5 ]  noemen   call
. present : ik noem, u noemt, we noemen
. past : ik noemde, we noemden
. perfect : ik heb genoemd

Linguistmail.com | More Languages | Privacy Policy